Driekwart van vluchtelingen kan na een screening worden geplaatst in een gemeente of regio waar hij of zij de grootste kans op een baan of geschikte opleiding heeft. Dat blijkt uit een proef in Doetinchem. Daar werden in drie maanden tijd van 400 vluchtelingen direct nadat zij een verblijfsstatus kregen, het werk- en studieverleden in kaart gebracht. Voor vijfenzeventig procent van deze groep is het daadwerkelijk gelukt om hem of haar in zo’n kansrijke regio of gemeente te huisvesten. Dat schreef minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 27 oktober in een brief aan de Tweede Kamer over de stand van zaken van de integratie en participatie van vluchtelingen. Zie ook het uitgebreidere nieuwsbericht van de Rijksoverheid.
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) voert sinds 1 juli 2016 op één locatie een vroege arbeidsmarktscreening uit, waarbij informatie wordt opgehaald over arbeidsverleden, gevolgde opleidingen en kwalificaties van vergunninghouders. Doel van de screening is dat nieuwe vergunninghouders kansrijker gekoppeld worden aan gemeenten, waardoor ze sneller en meer kans maken op doorstroming naar opleidingen en banen. Op die manier kunnen ze eerder actief aan de Nederlandse samenleving deelnemen en hoeven ze minder een beroep te doen op bijstandsvoorzieningen.
De arbeidsmarktscreening houdt in dat bij nieuwe vergunninghouders al in het eerste gesprek na vergunningverlening gevraagd wordt naar het arbeidsverleden en de gevolgde opleidingen. Op basis daarvan wordt door COA bezien welke arbeidsmarktregio’s perspectief op participatie bieden voor de vergunninghouder. Het COA neemt daarna binnen twee weken een beslissing over de gemeente waar de vergunninghouder naar toe gaat. Kortom, met in achtneming van de taakstelling van gemeenten voor de huisvesting van vergunninghouders, wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met kansrijke koppelingen van vergunninghouders aan gemeenten.
COA voert sinds 1 juli deze screening uit op de procesopvanglocatie in Doetinchem. Vanaf deze week wordt dit proces ook gestart op de procesopvanglocaties in Arnhem en Budel. De andere locaties volgen uiterlijk begin 2017. Voordeel van deze manier van werken is dat gemeenten al ruim voor de huisvesting meer weten over de vergunninghouders waar zij mee te maken krijgen. Naast informatie over opleiding en arbeidspotentieel gaat het om leeftijd, geslacht en taal. Zowel gemeente als vergunninghouder kunnen dus aan de slag om de wachttijd waardevol in te vullen. De wachttijd is de periode dat de vergunninghouder nog in het AZC woont, al wel gekoppeld is aan een gemeente maar daar nog niet woont omdat huisvesting nog niet beschikbaar is. Waardevol wachten kan ingevuld worden door te starten met werken, het oriënteren op de Nederlandse arbeidsmarkt, het beginnen met de reguliere inburgering, het doen van vrijwilligerswerk, het (verder) leren van de Nederlandse taal of het volgen van een opleiding of stage.
Alle relevante informatie over de vergunninghouder wordt opgenomen in zijn fysieke blauwe map en wordt ook opgenomen in zijn digitale dossier. Zodra een vergunninghouder gekoppeld is aan een gemeente heeft een gemeente via het Taakstelling Volg Systeem (TVS) inzicht in de gegevens van de vergunninghouder. Daarin is bijvoorbeeld te zien welke informatie uit de arbeidsmarktscreening is gekomen, welke onderdelen van de voorinburgering de vergunninghouder heeft gevolgd en afgerond etc. Kortom, met dat dossier kan de gemeente verder aan de slag om een vergunninghouder te begeleiden naar werk of een opleiding.
In een factsheet staan Q&A’s over de screening van het arbeidsverleden en de gevolgde opleidingen en kwalificaties van vergunninghouders. En de koppeling van vergunninghouders aan gemeenten.
Bron: Rijksoverheid