Leden login

Vul hieronder uw wachtwoord en gebruikersnaam in.

Wachtwoord vergeten? Klik hier.

Heeft u nog geen account? Meld u dan nu aan via onze lid worden pagina.

De eisen aan de moderne werknemer veranderen continu. Om optimaal te kunnen blijven functioneren in een steeds veranderende arbeidsmarkt, moeten werknemers blijven werken aan hun kennis en vaardigheden. Continue scholing is voor iedereen in de beroepsbevolking noodzakelijk geworden. Echter, op dit moment wordt niet door iedereen voldoende deelgenomen aan post-initiële scholing. Met name kwetsbare groepen als lager opgeleiden, personen met een tijdelijk arbeidscontract, zzp’ers en flexkrachten scholen zich minder dan gewenst. Dit roept de vraag op hoe de beroepsbevolking in het algemeen, en deze groepen in het bijzonder, kunnen worden bereikt en ondersteund om actief aan de slag te gaan en te blijven met leven lang leren. Ecorys heeft in opdracht van het Ministerie van SZW verkennend onderzoek gedaan naar mogelijke financieringsvormen ten behoeve van post-initiële scholing. De eindrapportage is nu beschikbaar.

De voornaamste basis voor beantwoording van de onderzoeksvragen is literatuuronderzoek: wat is bekend over ervaringen met een scholingspremie en een nationaal scholingsfonds in binnen- en buitenland? Aanvullend is een aantal gesprekken gevoerd met sociale partners en andere experts, zowel individueel als in een tweetal klankbordgroep bijeenkomsten.

Conclusie

Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat het van ondergeschikt belang is of een scholingspremie of nationaal scholingsfonds als financieel instrument wordt ingezet ter bevordering van post-initiële scholing. Een premie of fonds kunnen, ook minder scholingsgeneigde doelgroepen, bewegen tot scholing, maar de positionering (aanvullend of in plaats van, zeggenschap, financiering) en de flankerende randvoorwaarden (zoals een actieve benadering en begeleiding, flexibel scholingsaanbod) zijn minstens zo belangrijk in het bereiken van effectiviteit en het terugdringen van dead weight loss.
De huidige structuur is met name gericht op werkenden en scholing ten behoeve van de eigen functie of sector. Een nationaal instrument zou meer slagkracht hebben door de bundeling van budgetten, zich kunnen richten op een breder publiek of maatwerk kunnen bieden en het geeft individuen meer mogelijkheden tot het volgen van opleidingen die niet (uitsluitend) gericht zijn op de huidige functie of het huidige bedrijf.
Er is draagvlak onder experts en sociale partners voor een aanvullend nationaal financieel instrument ter bevordering van scholing. De voorkeur gaat uit naar een aanvulling op bestaande structuren dat zich specifiek zou richten op het bevorderen van brede inzetbaarheid/ intersectorale mobiliteit. In een dergelijke invulling blijft de kennis en infrastructuur van de O&O fondsen behouden.
Een risico van een nationale faciliteit ten behoeve van opleidingen ter bevordering van brede inzetbaarheid en mobiliteit is dat werkgevers die hier op dit moment zelf in investeren daarmee zullen stoppen op het moment dat de overheid hier faciliteiten voor gaat aanbieden. Tevens is het niet eenvoudig om een onderscheid te maken tussen de algemene en functie/ sectorgerichte opleidingsvormen ten behoeve van een verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid en O&O fondsen/werkgevers.
Het onderbrengen in de loonruimte van een scholingsfonds of scholingspremie zal, tenzij er een wettelijke verplichting komt, meegenomen moeten worden tijdens cao onderhandelingen. Er wordt aangegeven dat, gezien de huidige druk op de loonruimte, overeenstemming bereiken een uitdaging zal zijn. De verwachting is dat het draagvlak onder de bonden laag zal zijn.

Minister Asscher vat in zijn aanbiedingsbrief de belangrijkste conclusies samen. Hij geeft aan dat e komende maanden diverse adviezen verschijnen op het terrein van leven lang leren, zoals het SER-advies over postinitieel leren en het advies van de commissie vraagfinanciering mbo. “De verkenning kan tezamen met deze en andere adviezen handvatten aanreiken voor de verdere gedachtevorming over effectieve instrumenten om een leven lang leren verder te stimuleren. Ook bij de verdere uitwerking van de door het kabinet aangekondigde scholingsvouchers kunnen de inzichten uit de verkenning worden betrokken.”
“De toegevoegde waarde van een scholingspremie (dus individueel sparen) werd door de gesprekspartners in het algemeen onderschreven. Een belangrijke randvoorwaarde die daarbij werd genoemd, is dat het bij de vormgeving zou moeten gaan om het stimuleren van duurzame inzetbaarheid in plaats van functie- en bedrijfsgerichte scholing. Verder beschouwen ze een scholingspremie pas effectief als ook wordt ingespeeld op de niet-financiële oorzaken van onvoldoende deelname aan postinitiële scholing. Het ontbreken van een echte leercultuur is bijvoorbeeld nog steeds een hardnekkige factor die niet wordt opgelost met een scholingspremie. De ervaringen uit de literatuur over de wenselijkheid van een proactieve persoonlijke benadering en begeleiding van met name risicogroepen werd dan ook breed herkend. Een periodieke loopbaanscan of APK voor iedere volwassen Nederlander zou volgens een aantal gesprekspartners een waardevolle aanvulling kunnen zijn om de leercultuur en proactieve dienstverlening te stimuleren.

OVAL herkent zich in de conclusies en de noodzaak om te investeren in duurzame inzetbaarheid, het belang van een leercultuur en het nut van persoonlijke benadering, begeleiding en een periodieke loopbaanscan.

Bron: Ecorys / Rijksoverheid / OVAL

02/02/2017

Wilt u meer informatie over dit artikel?

Neem dan contact met ons op.

Gerelateerd nieuwsmeer nieuws 

Email Facebook Google LinkedIn Twitter