Leden login

Vul hieronder uw wachtwoord en gebruikersnaam in.

Wachtwoord vergeten? Klik hier.

Heeft u nog geen account? Meld u dan nu aan via onze lid worden pagina.

Een eerste evaluatie van de drie decentralisaties in het sociaal domein heeft het Sociaal en Cultureel Planbureau op 18 mei gepubliceerd. De tien hoofdpunten uit de samenvatting zijn hieronder overgenomen.

  1. Stapeling van voorzieningengebruik tussen de drie sectoren (Wmo 2015, Jeugdwet, Participatiewet) is beperkt: 12% van de huishoudens die een individuele voorziening gebruiken, gebruikt een voorziening in meer dan één sector.
  2. Kwetsbaar zijn mensen die werkloos zijn, laagopgeleid zijn, een laag inkomen hebben of ongezond zijn. Vooral personen in de Participatiewet en stapelaars (multiprobleemhuishoudens) zijn kwetsbaar.
  3. (Zelf)redzaam zijn mensen die zelf of met hulp van het eigen netwerk problemen kunnen oplossen. De (zelf)redzaamheid is vooral laag bij Wmo-gebruikers: minder dan 10% kan alle problemen zelf oplossen. Wmo-gebruikers schakelen vaker dan andere groepen een beroepskracht in; dit geldt in mindere mate ook voor stapelaars.
  4. De kwaliteit van leven van mensen in de Wmo, in de Participatiewet of uit een multiprobleemhuishouden is minder goed dan die van mensen met een kind in een Jeugdwetvoorziening of van mensen die geen voorziening gebruiken. Bij kwaliteit van leven vatten we de situatie op zes levensterreinen samen: gezondheid, maatschappelijke participatie, vrijetijdsbesteding, eenzaamheid, levensstandaard en woonsituatie.
  5. Participatiewet: Gemeenten zijn volop bezig om uitvoering te geven aan de inrichting en de doelstellingen van de Participatiewet en zijn daar wat laat mee gestart. Er is aandacht nodig voor arbeidsmarktkansen van personen met een verstandelijke of psychische beperking. Dat geldt ook voor de inrichting en de inzet van de nieuwe reintegratievoorzieningen, met name voor beschut werk.
  6. Wmo 2015: de uitvoering is volop in beweging richting transformatie. Er zijn nog wel problemen met de toegang tot en de levering van hulp bij het huishouden. Er lijkt een verschuiving van individuele naar algemene voorzieningen op te treden. Door beperkingen in de gegevensverzameling is het moeilijk om een goed beeld te krijgen van de ontwikkelingen in het gebruik van individuele en algemene voorzieningen.
  7. Jeugdwet: de overheveling naar gemeenten is zonder grote problemen verlopen. Het ging om een zeer complexe operatie waarbij de continuïteit van de hulp niet in gevaar is gekomen. De toegang tot de zorg wordt sterk bepaald door huisarts en specialist. De samenwerking tussen de verschillende partijen is een punt van aandacht. De transformatie moet bij de Jeugdwet nog echt van de grond komen.
  8. Regionale verschillen: inwoners van krimpende plattelandssteden en grootstedelijke gebieden maken veel gebruik van voorzieningen in het sociaal domein. Dat geldt ook voor de bewoners van de drie noordelijke provincies en Zuid- en Midden-Limburg. De regionale verschillen blijven grotendeels bestaan als rekening wordt gehouden met bevolkingskenmerken.
  9. Gemeentelijke praktijk: het werken vanuit een integraal perspectief beperkt zich niet tot de drie decentralisaties maar strekt zich uit naar aanpalende beleidsterreinen als schuldproblematiek en passend onderwijs. Er wordt ingezet op eigen kracht van mensen, maar er zijn grenzen aan de mogelijkheden. Er is meer aandacht voor preventie en algemene voorzieningen. Gemeenten zoeken naar de juiste inrichting van het sociaal domein en naar geschikte instrumenten.
  10. Bestuurlijk: Gemeenten hebben prioriteit gegeven aan het organiseren van zorgcontinuïteit en hebben zorgarrangementen geformuleerd gebaseerd op de lokale situatie. Daarentegen is duidelijk dat de bestuurlijke inrichting van het sociaal domein nog niet ‘af’ is. De gemeentelijke uitgaven voor het sociaal domein lijken in 2015 grotendeels in lijn te zijn met de middelen die daarvoor in het verdeelmodel van het Gemeentefonds beschikbaar zijn.

Specifiek over de Participatiewet zijn er nog weinig conclusies te trekken. De re-integratieverordeningen hoefden pas halverwege 2015 gereed te zijn en de uitvoering komt daarna pas. Het is dan ook volgens de onderzoekers te vroeg om een goed beeld te kunnen vormen van de transitie.

Bron: SCP

18/05/2016

Wilt u meer informatie over dit artikel?

Neem dan contact met ons op.

Gerelateerd nieuwsmeer nieuws 

Email Facebook Google LinkedIn Twitter